Beleggen in box 3 of via de eigen BV: wat is fiscaal voordeliger?

Gepubliceerd op 31 augustus 2026 om 22:44

Let op: dit artikel is geschreven op basis van de stand van de wetgeving in augustus 2026. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (‘Wwr’) is op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen, maar is nog niet definitief. De behandeling in de Eerste Kamer loopt nog en het kabinet heeft wijzigingen op het wetsvoorstel aangekondigd. De uiteindelijke regels vanaf 2028 kunnen daarom afwijken van de uitgangspunten in dit artikel. Zodra hierover meer duidelijkheid bestaat, wordt dit artikel geactualiseerd.

  1. Inleiding
    2. Hoe wordt vermogen nu belast in box 3?
    2.1 Forfaitair rendement
    2.2 Tegenbewijs op basis van werkelijk rendement
    3. Wat verandert er vanaf 2028?
    4. Beleggen via de BV: Vpb en box 2
    5. Box 3 of BV: alleen tarieven vergelijken is niet genoeg
    6. Rekenvoorbeeld: box 3 versus BV
    7. Andere factoren die de keuze bepalen
    8. Vermogen verplaatsen tussen privé en BV
    9. Conclusie: wanneer box 3 en wanneer de BV?

1.Inleiding

Voor wie beschikt over vrij belegbaar vermogen speelt regelmatig de vraag waar dat vermogen fiscaal het beste kan worden aangehouden: privé in box 3 of in een eigen BV. Die vraag wordt vanaf 2028 nog relevanter. Vanaf dat jaar moet box 3 volgens de huidige plannen worden gebaseerd op het werkelijk behaalde rendement[1].

Op het eerste gezicht lijkt de vergelijking eenvoudig. In box 3 geldt één belastingtarief, terwijl bij beleggen via een BV eerst vennootschapsbelasting en uiteindelijk veelal ook Inkomstenbelasting (box 2) verschuldigd is. Als je alleen naar de tarieven kijkt, kun je een onvolledig beeld krijgen.  De timing van de belastingheffing, het soort belegging, de beleggingsduur en de vraag waar het vermogen zich nu bevindt, kunnen de uitkomst sterk beïnvloeden.

In dit artikel bespreek ik eerst kort hoe box 3 in 2026 werkt en wat volgens het huidige wetsvoorstel vanaf 2028 verandert. Vervolgens vergelijk ik beleggen in box 3 met beleggen via de eigen BV.

 

[1] Voor het gewijzigd voorstel van wet zie EK 36.748, nr. A.

2. Hoe wordt vermogen nu belast in Box 3?

2.1 Forfaitair rendement

Onder het huidige systeem wordt uitgegaan van drie categorieën vermogensbestanddelen:
 1. banktegoeden, waaronder ook deposito’s en aandelen in een Vereniging van Eigenaren (VvE) of tegoeden op een derdengeldenrekening van een notaris of deurwaarder;
 2. overige bezittingen, zoals aandelen, obligaties, opties, vorderingen, beleggingsvastgoed en een tweede woning;
3. schulden.

Per categorie wordt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage gehanteerd. Binnen deze forfaitaire berekening wordt niet gekeken naar het individueel behaalde rendement. Is het werkelijke rendement over het totale box 3-vermogen echter lager dan het forfaitair berekende rendement, dan kan de tegenbewijsregeling uitkomst bieden.
Voor het jaar 2026 is alleen het percentage voor de overige bezittingen vastgesteld, dit bedraagt 6,0%. De forfaitaire percentages voor het opleggen van voorlopige aanslagen over 2026 bedragen voor banktegoeden 1,28% en voor schulden een percentage van 2,7%. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn nog voorlopig en worden begin 2027 vastgesteld.
In 2026 bedraagt het heffingsvrije vermogen € 59.357 per persoon (€ 118.714 voor fiscale partners). Over het berekende box 3-inkomen is vervolgens 36% inkomstenbelasting verschuldigd.

2.2 Werkelijk rendement

Naar aanleiding van de D-Day-arresten van 6 juni 2024 [1]is de tegenbewijsregeling ingevoerd. Is het werkelijke rendement in een kalenderjaar lager dan het forfaitair berekende rendement, dan kan de belastingplichtige het werkelijke rendement doorgeven. De box 3-heffing wordt dan gebaseerd op het lagere werkelijke rendement. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als de tegenbewijsregeling[2].
Het werkelijk rendement bestaat uit alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden. Deze voordelen bestaan uit:

  1. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden; en
  2. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden.

Ad a
Voorbeelden van positieve voordelen zijn rente, huur, pacht, dividend, een genoten winstuitkering, een vergoeding voor het verstrekken van kapitaal, een licentievergoeding, een gebruiksvergoeding en vanaf 1 januari 2026 het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak (een vakantiewoning of bedrijfspand) of een deel ervan tot de positieve reguliere voordelen worden gerekend.

Tot de negatieve reguliere voordelen worden gerekend de door de belastingplichtige verschuldigde rente ter zake van een schuld, een banktegoed of een door belastingplichtige verstrekte lening.

Ad b.
Onderdeel van het werkelijke rendement is de vermogensaanwas. Dit is het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het jaar van het saldo van bezittingen en schulden.

Let op: de tegenbewijsregeling pakt bij verhuurd vastgoed tegen een reële huurprijs in de praktijk vaak ongunstig uit. Bij het werkelijke rendement telt niet alleen de ontvangen huur mee, maar ook de waardestijging van het vastgoed. Bovendien geldt het heffingsvrije vermogen niet en zijn kosten in beginsel niet aftrekbaar. Bij woningen met huurbescherming en een huur die duidelijk onder de markthuur ligt, kan de uitkomst anders zijn.

Bij de berekening van het forfaitair rendement wordt gekeken naar de waarde van bezittingen en schulden op 1 januari, de zogenaamde peildatum. Wat na 1 januari gebeurt, telt niet mee bij het forfaitair rendement voor dat kalenderjaar.

Bij het werkelijk rendement wordt wél rekening gehouden met veranderingen in bezittingen en schulden tijdens het belastingjaar. Hebt u bijvoorbeeld op 18 april 2026 beleggingen gekocht? Dan telt het rendement op deze beleggingen mee bij uw werkelijk rendement over 2026.

 

[1] ECLI:NL:HR:2024:704BNB 2024/84 en HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705BNB 2024/85). 

[2] Afdeling 5.6 Wet IB 2001

En box 1?
In dit artikel ga ik uit van beleggen als normaal vermogensbeheer. In dat geval wordt privévermogen in beginsel in box 3 belast. Als de werkzaamheden rond een belegging het normale vermogensbeheer overstijgen, kan het rendement in box 1 worden belast, bijvoorbeeld als resultaat uit overige werkzaamheden. Box 1 is daarmee niet zozeer een alternatief waarvoor een belegger kan kiezen, maar een fiscale kwalificatie die afhankelijk is van de feiten en omstandigheden

3. Wat verandert er in 2028

Volgens het huidige wetsvoorstel bedraagt het box 3-tarief vanaf 2028 36%. Een verlaging van het tarief behoort tot de mogelijke wijzigingen die nog worden onderzocht.

De hoofdregels voor het bepalen van het werkelijk rendement in de Wwr zijn als volgt.
1. Zowel het reguliere rendement (directe voordelen zoals rente, dividend en huur) als de vermogensaanwas (indirecte voordelen) behoren tot het werkelijk rendement.

  1. Als hoofdregel geldt de vermogensaanwasbelasting (VAB) voor Box 3. Die is van toepassing voor onder andere banktegoeden, vorderingen, schulden, crypto’s, beursgenoteerde aandelen en andere effecten en werknemersparticipaties;
    Voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups geldt vanaf 2028 de vermogenswinstbelasting (VWB).
  2. Het heffingsvrij vermogen wordt omgezet in een heffingsvrij resultaat van € 1.800 per persoon. Fiscaal partners krijgen samen een heffingsvrij resultaat van € 3.600.
  3. Er komt een recht op voorwaartse verliescompensatie met een drempel van € 500 per persoon. Alleen het meerdere wordt met toekomstig positief inkomen verrekenbaar.
  4. Kosten (waaronder rentelasten) worden als hoofdregel aftrekbaar. Er gelden uitzonderingen voor kosten met een (deels) privékarakter.
  5. Voor het bepalen van het werkelijke rendement geldt het zakelijkheidsbeginsel. Transacties die vanwege persoonlijke of gelieerde verhoudingen niet onder zakelijke voorwaarden plaatsvinden, worden voor fiscale doeleinden gecorrigeerd naar zakelijke voorwaarden.
  6. Als genietingstijdstip wordt het kasstelsel gehanteerd.

Andere onderdelen worden nog onderzocht en hangen mede af van budgettaire dekking en uitvoerbaarheid. Het gaat om de volgende opties: een verhoging van het heffingsvrije resultaat, een verlaging van het box 3-tarief, achterwaartse verliesverrekening en een doorschuifregeling bij wijzigingen in de huwelijksgoederengemeenschap.

Daarnaast onderzoekt het kabinet ook de mogelijkheid van een doorontwikkeling van het hybride stelsel van zowel een vermogensaanwas- als een vermogenswinstbelasting naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen.

4.Beleggen via de BV: Vpb en Box 2

Door de voorgenomen belastingheffing over vermogensaanwas in box 3 wordt regelmatig de vraag gesteld of beleggen via een BV fiscaal aantrekkelijker is.

Bij beleggen in de BV richt u een besloten vennootschap op die het vermogen aanhoudt en belegt. U wordt dan een aanmerkelijkbelanghouder en het inkomen dat uit de BV wordt gehaald is in Box 2 belast. Dit wordt ook wel beleggen via de BV genoemd. De systematiek verschilt van box 3, omdat de BV vennootschapsbelasting over haar winst betaalt.  

De vennootschapsbelastingtarieven voor een BV zijn 19% tot € 200.000 en 25,8% daarboven in 2026. Keert de BV dividend uit aan de aandeelhouder, dan wordt dat in box 2 belast.
In 2026 bedraagt de box 2 heffing 24,5% tot de schijf van € 68.843 en 31% over het meerdere. Zo verlaagt vanaf 2025 box 2-inkomen de algemene heffingskorting.

In deze tabel is ervan uitgegaan dat de winst na vennootschapsbelasting volledig wordt uitgekeerd en tegen het genoemde box 2-tarief wordt belast.

5. Box 3 of BV: alleen tarieven vergelijken is niet genoeg 

De keuze tussen beleggen in box 3 en beleggen via de BV kan echter niet uitsluitend worden gemaakt door de verschillende belastingtarieven met elkaar te vergelijken.

Een belangrijk voordeel van beleggen via de BV is dat box 2-heffing pas aan de orde komt wanneer winst aan de aandeelhouder wordt uitgekeerd of de aandelen worden vervreemd. Zolang de winst in de BV blijft, kan de box 2-heffing in beginsel worden uitgesteld.

Zowel box 2- als box 3-inkomen behoort tot het verzamelinkomen en kan daardoor leiden tot een lagere algemene heffingskorting en andere inkomensafhankelijke regelingen.  Het verschil is dat box 3-inkomen jaarlijks in aanmerking wordt genomen, terwijl een aandeelhouder bij een BV in beginsel zelf kan bepalen wanneer en hoeveel dividend wordt uitgekeerd. Daardoor kan de box 2-heffing, en het effect daarvan op inkomensafhankelijke regelingen, tot op zekere hoogte worden gestuurd.

Bij inkomensafhankelijke regelingen kan onder andere worden gedacht aan, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget, zorgtoeslag en ouderenkorting.

Het uitstel van box 2-heffing heeft bovendien een rendementseffect. Zolang de winst in de BV blijft en wordt herbelegd, blijft ook het bedrag dat anders aan box 2-heffing zou zijn betaald beschikbaar voor belegging. Over dat extra vermogen kan opnieuw rendement worden behaald. Daar staat tegenover dat de box 2-claim niet verdwijnt: bij een latere dividenduitkering of vervreemding van de aandelen komt deze alsnog aan de orde.

6.Rekenvoorbeeld: box 3 versus BV

Stel: Thijs (41) beschikt over € 750.000 en wil dit vermogen beleggen in verhuurd vastgoed. Hij vraagt zich af of hij het vastgoed beter privé in box 3 kan aanhouden of via een BV.

In het voorbeeld wordt uitgegaan van een netto huurrendement van 4% per jaar en een jaarlijkse waardestijging van het vastgoed van 3%. Het vastgoed wordt gedurende 15 jaar aangehouden en vervolgens verkocht. De huurinkomsten stijgen gedurende de looptijd mee met de waardeontwikkeling van het vastgoed.

Voor box 3 wordt uitgegaan van de vermogenswinstbelasting (VWB) zoals die volgens het huidige wetsvoorstel vanaf 2028 voor vastgoed zal gelden.

Onder deze uitgangspunten bedraagt het netto eindvermogen na 15 jaar in box 3 ongeveer € 96.800 meer dan bij beleggen via de BV.

De uitkomst betekent niet dat box 3 in alle gevallen voordeliger is. De vergelijking is sterk afhankelijk van onder meer het rendement, de waardestijging, de beleggingsduur en de belastingtarieven die gedurende die periode gelden.

In dit rekenvoorbeeld wordt geen rendement verondersteld op de na belasting resterende huurinkomsten. Het verschil in eindvermogen wordt daardoor uitsluitend veroorzaakt door het verschil in belastingheffing. In de praktijk kan belastinguitstel in de BV daarnaast een rendementseffect opleveren wanneer de beschikbare middelen worden herbelegd.

Verder wordt verondersteld dat Thijs bij aanvang over € 750.000 beschikt en vooraf kiest of het vastgoed privé of via de BV wordt aangekocht. Transactiekosten en overdrachtsbelasting bij de initiële aankoop zijn in beide scenario’s buiten beschouwing gelaten.

7. Andere factoren die de keuze bepalen

Op basis van bovenstaand rekenvoorbeeld is beleggen in box 3 op de lange termijn voordeliger. Dat betekent echter niet dat box 3 in iedere situatie de voorkeur heeft.

Bij beleggen via de BV kan de box 2-heffing langdurig worden uitgesteld. Over het rendement dat binnen de BV wordt behaald, is wel vennootschapsbelasting verschuldigd, maar zolang de resterende winst niet als dividend wordt uitgekeerd, is daarover nog geen box 2-heffing verschuldigd. Het bedrag dat daardoor voorlopig niet aan inkomstenbelasting hoeft te worden betaald, kan binnen de BV worden herbelegd.

Herinvesteringsreserve

Vooral bij vastgoed kan de BV daarnaast voordelen bieden door de mogelijkheid om onder voorwaarden een herinvesteringsreserve (HIR) te vormen. Met een HIR kan de belastingheffing over de boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel, zoals beleggingsvastgoed, worden uitgesteld als het voornemen bestaat om te herinvesteren in een ander bedrijfsmiddel.

De boekwinst wordt dan niet direct belast, maar wordt afgeboekt op de kostprijs van de vervangende investering. De HIR leidt daarmee tot uitstel van belastingheffing en zorgt ervoor dat een groter bedrag beschikbaar blijft voor herinvestering. Box 3 kent een dergelijke herinvesteringsreserve niet.

De uitkomst van een vergelijking tussen box 3 en de BV zegt nog niet of bestaand vermogen daadwerkelijk moet worden verplaatst. Daarvoor moet ook worden gekeken naar de fiscale gevolgen van die verplaatsing zelf, waarop ik in paragraaf 8 verder ga.

8.Vermogen verplaatsen tussen privé en BV

Bij de keuze tussen beleggen in box 3 of via de BV is niet alleen van belang welke beleggingsvorm uiteindelijk fiscaal het voordeligst is. Minstens zo belangrijk is de vraag waar het vermogen zich op dit moment bevindt. Het overbrengen van vermogen van privé naar een BV of andersom kan namelijk zelf tot belastingheffing leiden, zodat die belastingheffing ook moet worden meegewogen in de keuze.

8.1 Van box 3 naar de BV

Als het te beleggen vermogen zich in privé bevindt, kan dit in een BV worden ondergebracht. Bij de oprichting van een nieuwe BV kan het vermogen bijvoorbeeld als aandelenkapitaal worden gestort. Bij een reeds bestaande BV kan ook een agiostorting worden gedaan. Een andere mogelijkheid is om het vermogen aan de eigen BV uit te lenen, waarbij een zakelijke rente overeengkomen moet worden.

Bij vastgoed verdient de overdrachtsbelasting bijzondere aandacht. Het overbrengen van een onroerende zaak vanuit privé naar de eigen BV vormt in beginsel een belaste verkrijging door de BV. Dit geldt zowel bij verkoop van het vastgoed aan de BV als bij inbreng als aandelenkapitaal of agio.

In 2026 bedraagt het overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt 8%. Voor niet-woningen, zoals bedrijfspanden, bedraagt het tarief 10,4%. Soms kan een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing zijn, bijvoorbeeld in verband met samenloop met btw. Dat is echter afhankelijk van de concrete situatie.

Onder de toekomstige Wwr kan de overdracht van bestaand vastgoed naar de BV bovendien een realisatiemoment vormen voor de vermogenswinst die in box 3 is opgebouwd. Bij vastgoed wordt volgens het huidige voorstel immers bij realisatie over de vermogenswinst geheven.

Een berekening waaruit blijkt dat beleggen via de BV gunstiger zou zijn, betekent daarom niet automatisch dat het ook aantrekkelijk is om bestaand vastgoed vanuit box 3 naar de BV over te brengen. De overdrachtsbelasting en de Box 3 heffing bij realisatie kunnen daarbij een doorslaggevende rol spelen.

8.2 Van de BV naar box 3

Ook wanneer het vermogen al in een BV aanwezig is, moet rekening worden gehouden met de fiscale gevolgen van een overgang naar privé.

Een mogelijkheid is terugbetaling van aandelenkapitaal. Dit kan onder voorwaarden zonder box 2-heffing plaatsvinden, voor zover de terugbetaling de fiscale verkrijgingsprijs van de aandelen niet overstijgt. Aan een onbelaste terugbetaling van aandelenkapitaal zijn wel formele voorwaarden verbonden.

Een andere mogelijkheid is het uitkeren van dividend. Over een dividenduitkering is box 2-heffing verschuldigd. Daardoor is niet het volledige vermogen dat zich in de BV bevindt vervolgens beschikbaar voor belegging in box 3.

Tenslotte kan de aandeelhouder geld lenen van de eigen BV. De lening moet onder zakelijke voorwaarden worden aangegaan en er moet mogelijk rekening worden gehouden met de regeling excessief lenen bij de eigen vennootschap.

Voor de keuze is daarom niet alleen van belang waar het hoogste netto eindvermogen kan worden behaald, maar ook waar het te beleggen vermogen zich op dit moment bevindt en welke belastingheffing nodig is om het naar de andere structuur over te brengen.

Uiteraard kan ook de liquiditeitsbehoefte een rol van betekenis spelen.

9. Conclusie

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat de keuze tussen Box 3 en beleggen via de BV niet altijd eenduidig kan worden beantwoord, zonder daarbij alle andere aspecten mee te wegen.

De uitkomst hangt onder meer af van het soort belegging, het verwachte directe rendement en de waardestijging, de beleggingsduur, de mogelijkheid om winsten in de BV te laten zitten en de plaats waar het vermogen zich nu bevindt.